Jacques Vriens (1946) is één van de bekendste en succesvolste auteurs van kinderboeken in Nederland. Hij werd geboren in Den Bosch en verhuisde in 1952 naar Helmond, waar zijn ouders een hotel begonnen. Bij het hotel hoorde een toneelzaaltje. Daar voerde Jacques samen met vriendjes en vriendinnetjes toneelstukken op. Ze verzonnen dan een verhaal en speelden dat voor de andere kinderen uit de buurt. De voorstellingen draaiden nogal eens uit op ruzie, omdat sommige spelers zich  niet aan hun rol hielden. Op een dag besloot Jacques alles op te schrijven, zodat iedereen voortaan precies wist hoe het toneelstuk in elkaar zat. Zo ontdekte hij dat hij schrijven erg leuk vond en hij begon ook verhalen te schrijven.

In 1976 kwam zijn eerste boek uit: Die rotschool met die fijne klas. Als meester zag Jacques dat er ontzettend veel gebeurde in de klas. Daar wilde hij graag over schrijven. In het begin combineerde Jacques het lesgeven met het schrijven, maar in 1993 besloot hij fulltime als schrijver te gaan werken. Inmiddels heeft hij tientallen boeken op zijn naam staan. Met zijn boek De wijde wereld in staat hij dit jaar op de onderbouwlijst van de Boekenbingo. Tijd hem hem het hemd van het lijf te vragen!

 

Wilde je altijd al schrijver worden?

Ja en nee, want ik wilde eigenlijk drie dingen worden. Ik groeide op in een hotel met een toneelzaal, waar ik met de buurtkinderen voorstellingen gaf. Dat werd in het begin een grote puinhoop omdat we maar wat deden. We hadden geen tekst, dus iedereen riep door elkaar of we hadden ruzie over de rolverdeling.
Op een dag verzon ik een toneelstuk en besloot eerst de tekst op te schrijven ( ‘Het gestolen prinsesje’) en dat verhaal voerden we met zijn allen op. Het werd een succes en zo ontdekte ik dat ik schrijven leuk vond. En natuurlijk toneelspelen!
Soms, als er tè veel kinderen bij ons in de zaal kwamen spelen (soms wel dertig, omdat het regende), vonden mijn ouders dat te gek worden en stuurden ze iedereen weg. Op een keer bedachten we dat we met zoveel kinderen ook schooltje konden spelen. In iedere hoek van de zaal was een klasje en ik liep rond als ‘directeur’. (Later ben ik dat ook geworden).

Ik wist dus al heel jong dat ik drie dingen wilde: toneelspelen, meester worden en boeken schrijven. Ik werd eerst meester en schrijven en toneelspelen werden mijn grote hobby’s. Na vijfentwintig jaar meester besloot ik (na lang nadenken, want ik vond school eigenlijk nog heel erg leuk) van mijn hobby’s mijn beroep te maken.

Wat vind je leuk aan het schrijven?

Als ik schrijf, speel ik eigenlijk toneel achter mijn computer of laptop. Ik speel alle rollen. Als mijn vrouw Thérèse langs mijn werkkamer loopt en ze hoort mij hardop praten, dan weet ze dat ik met een boek bezig ben.

Waar haal je je inspiratie vandaan?

Uit mijn eigen jeugd (bijv. in het boek Jakob en de zeven gevaren of de boeken over De Bende van de Korenwolf). Maar ook wat ik met mijn eigen (klein-) kinderen meemaakte ( bijv. Tommie en Lotje). En natuurlijk zorgden mijn klassen voor inspiratie (bijv. Meester Jaap of Achtste-groepers huilen niet.)
Als meester vertelde ik onder de geschiedenisles altijd heel veel verhalen. Daarom vind ik het ook leuk om boeken over vroeger te schrijven (bijv. Oorlogsgeheimen en Smokkelkinderen).

Maar ik maak ook dingen mee waarvan ik denk: daar wil ik over schrijven. Bijv. over kinderen in een groepshuis (Niet Thuis) of het boek Code Kattenkruid, over een erg grappige opa die niet lang meer te leven heeft.
Als ik vastzit met een verhaal, ga ik altijd een uurtje wandelen in het prachtige bos hier vlakbij ( Ik woon in Zuid-Limburg). Dan kom ik bijna altijd thuis met een goed idee.

Waar ben je op dit moment mee bezig?

Toen ik een jaar of zestien was, leerde ik een oude toneelspeler kennen die mooie verhalen vertelde over de tijd dat hij als beginnend acteur rondreisde met een toneelgroep om op kermissen voorstellingen te geven in een tent. Al jaren wilde ik daar een boek over schrijven. Dat komt nu eindelijk uit in mei 2024 .
Het boek heet Kermiskind en gaat over de dertienjarige Rosa die overal optreedt met haar familie. ‘De troep’ (zo noemen ze het onder elkaar) is een bijzonder gezelschap. Ze trekken van de ene kermis naar de andere en Rosa heeft het als jongste van het stel niet altijd gemakkelijk. Gelukkig is er de nieuwe jonge toneelspeler Teunis met wie ze het heel goed kan vinden. Alleen heeft hij een groot geheim…
Het verhaal speelt zich af in 1925, dus bijna honderd jaar geleden. Ik denk (hoop..) dat het een mooi, spannend, grappig, maar soms ook heftig boek wordt.

Wie zijn jouw favoriete kinderboekenauteurs?

Ik ben nog steeds grote fan van Paul Biegel. Hij maakte heel andere verhalen dan ik schrijf, maar ze zijn prachtig van taal en ook zijn humor vind ik nog steeds bijzonder.

Wat is de allerleukste reactie die je ooit van een lezer hebt gekregen?

Na een schoolbezoek schreef een kind: ‘Hij is wel oud, maar hij doet het nog’.

Wist je dat…

…ik gek ben op rookworst van de Hema?
…ik zing onder de douche?
…mijn lievelingsdieren poezen, uilen en varkens zijn?
…ik een kleindochter heb die voor juf studeert? (opa trots)
…drop mijn lievelingssnoep is? (Je weet wel: dat je een zak drop hebt en er niet af kan blijven…)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *